Advocaat van SBM Offshore mocht zich als getuige beroepen op verschoningsrecht

21 april 2021 DOOR JORIS RIETBROEK

Offshore

Een ex-De Brauw-partner mocht in januari 2020 op grond van zijn verschoningsrecht weigeren om vragen te beantwoorden die hem werden gesteld als getuige. Dat heeft het Amsterdamse hof dinsdag bepaald in de zaak tussen de klokkenluider van SBM Offshore en de voormalig advocaat van het bedrijf.

Het was ex-werknemer en klokkenluider Jonathan Taylor, in de periode 2002-2012 bedrijfsjurist bij SBM Offshore, die een voorlopig getuigenverhoor wenste tegen de achtergrond van de slepende smeergeldaffaire bij het bedrijf uit Schiedam. Taylor maakte zelf openbaar dat SBM onder meer in Brazilië en Angola steekpenningen ter waarde van zo’n 250 miljoen Amerikaanse dollar had betaald. Vervolgens zou het bedrijf een intern onderzoek naar deze betalingen hebben misbruikt om criminele activiteiten te maskeren en de markt te misleiden.

Een procedure van SBM tegen de klokkenluider wegens laster werd uiteindelijk ingetrokken, maar inmiddels overweegt Taylor zelf een procedure tegen zijn voormalig werkgever aan te spannen. In dat kader wilde hij naast enkele directieleden ook voormalig De Brauw Blackstone Westbroek-advocaat Jaap de Keijzer laten horen, aangezien hij – vanaf medio 2013 – in opdracht van SBM het betreffende interne onderzoek naar de fraude had uitgevoerd,

Geheimhoudingsplicht

Eenmaal bij de rechter-commissaris begin 2020, beroept De Keijzer zich echter direct op zijn verschoningsrecht. Alle informatie die hij tijdens het interne onderzoek bij SBM heeft verkregen in zijn hoedanigheid als advocaat, valt onder zijn geheimhoudingsplicht, zo betoogt hij. Hetzelfde geldt voor de adviezen die hij zijn cliënt op basis van de onderzoeksbevindingen heeft gegeven.

Het Amsterdamse hof bevestigt nu in een beschikking dat De Keijzer – die De Brauw overigens al in 2017 verliet – de hem gestelde vragen inderdaad niet hoeft te beantwoorden. De eerdere beslissing van de rechter-commissaris bij de rechtbank Noord-Holland is hiermee bekrachtigd. Het gaat immers ‘om niet-publieke informatie die de advocaat in het kader van zijn beroepsuitoefening heeft verkregen en die niet aan hem is verstrekt met als doel deze met derden te delen’, zo stelt het hof. ‘Beantwoording van vragen over het interne onderzoek zou ertoe kunnen leiden dat openbaar gemaakt wordt wat verborgen dient te blijven.’

‘Potentieel misleidend’

Het doet hierbij volgens het gerechtshof niet ter zake dat SBM zelf meerdere stukken van het interne onderzoek openbaar heeft gemaakt of ter beschikking heeft gesteld aan derden. Zoals bijvoorbeeld aan het Openbaar Ministerie, met wie SBM een schikking à 240 miljoen dollar trof. “Het is immers niet aan SBM, maar aan de advocaat om te beoordelen welke informatie hem in zijn hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd en welke adviezen hij als zodanig aan SBM Offshore heeft gegeven,” aldus het hof.

Het gerechtshof merkt in dit kader nog wel op enkele persberichten van SBM uit 2012 en 2014 ‘op zijn minst potentieel misleidend’ te vinden. In deze berichten werd namelijk gerept over een onafhankelijk onderzoek door externe personen, terwijl het onderzoek in werkelijkheid werd gedaan door de hiervoor ingehuurde De Keijzer. Dergelijke misleidende informatie in een persbericht is weliswaar ongewenst, ‘maar leidt er niet toe dat de advocaat geen beroep op zijn verschoningsrecht kan doen’.

Klik hier voor de beschikking

Related Posts

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.